Bungeejumpen stond al jaren hoog op mijn bucketlist. Letterlijk én figuurlijk. Best bijzonder eigenlijk, want ik krijg al knikkende knieën zodra ik op de aanbouw van ons huis sta, een hoogte van welgeteld tweeënhalve meter. Toch voelde ik dat ik er ooit een keer overheen moest.
Dus begon het grote plan. Eerst gewoon even Googelen: bungeejumpen in Nederland. Het kan, vanaf de Pier in Scheveningen. Prachtige plek, behalve dat het zestig meter hoog is… wat voor mijn gevoel ongeveer gelijkstaat aan de Mount Everest. Maar goed, of het nou zestig meter is of meer: ik zou het toch maar één keer doen. Daarna waarschijnlijk nooit meer.
En toen vond ik hem: de hoogste sprong van Europa. In Zwitserland. De beroemde 007 GoldenEye jump. In de openingsscène springt James Bond (ik mag James zeggen) van een enorme dam en valt 220 meter naar beneden. En ineens was de conclusie duidelijk: Dimitri gaat dat doen.
Het idee was eerst om dit tijdens de zomervakantie te doen, maar het omrijden bleek te veel gedoe. Dus maakten Friso en ik er een roadtrip van: een Fridimi-weekend richting Italië en Zwitserland.
Op 22 oktober was het zover. We reden naar Italië, waar we in Cannobio sliepen, acht kilometer van de Verzasca-dam. Het dorp was mooi en totaal uitgestorven, maar we hebben ons prima gered met goedkope hoofdpijnwijn, een paar worsten, wat potjes schaak en het slenteren door het dorp.
De volgende ochtend werd ik wakker met klamme handjes. Vandaag zou het gebeuren. Rond twaalf uur kwamen we aan bij de dam, maar ze moesten nog opbouwen. En voordat ik überhaupt de tijd had om mentaal in te storten, kwam de vraag: “Wie wil er alvast?”
Ik dacht: No way. Ik test dat touw niet één uur eerder dan nodig. Gelukkig waren er twee dappere, laten we zeggen… minder nadenkende helden, die het touw wel wilden testen. Ze sprongen. Ze overleefden. Ze kwamen lachend boven.
Toen dacht ik: Oké… dan moet ik nu ook.
Vanaf het moment dat het tuigje omgaat, wordt alles een beetje wazig. Alsof je in een film stapt waarin jij de enige bent die het script nog niet heeft gelezen. Bij de rand probeerde ik me nog even subtiel vast te klampen aan de railing, maar dat was blijkbaar niet de bedoeling. Ik beefde als een malle, maar ergens dacht ik ook: Ach ja, dood ga je toch een keer.
De instructeur telde af: drie, twee, één…
Ik sprong.
En ik viel.
En ik viel.
En ik viel nog steeds.
Het duurde zó lang dat ik tijd had om te denken: “Is dit normaal?” Het gevoel kun je het best vergelijken met dat moment waarop je in slaap valt en ineens wakker schrikt omdat je denkt dat je valt… maar dan onafgebroken. Het was geweldig en beangstigend tegelijk. Een kick die je niet kunt omschrijven, maar die ik vol overtuiging nooit meer hoef mee te maken.
Boven aangekomen voelde ik vooral één ding: ik moet weg hier. Dus reden Friso en ik door naar Straatsburg, waar ik de laatste restjes adrenaline heb weggespoeld met een goed speciaalbiertje.
En zo eindigde de dag: zonder zenuwen, met speciaal bier — en met een ervaring die ik nooit meer vergeet.
Ontdek meer van
Abonneer je om de nieuwste berichten naar je e-mail te laten verzenden.

Brrr. Toffe activiteit, maar Scheveningen klinkt in mijn oren zo slecht nog niet